De weg naar het WK in Portugal via Italië en Zwitserland

by | Oct 28, 2016 | Nieuws

Het is 3u50 ‘s ochtends, de lichten van de gigantische parkeergarage aan de ingang van het bergdorp zijn een welgekomen mikpunt. Sinds de eindeloze klim naar de Monte Moro pas voel ik me al een paar uur wat belabberd. IJle lucht, slaapgebrek en een weke maag snijden stilletjes aan de benen af. In de verte zie ik een lichtje dansen, ik zet aan en ben blij met het eerste menselijke contact sedert enkele uren. Het blijkt een Amerikaan te zijn die hier wat vrienden komt aanmoedigen. Hij loopt het laatste eindje naar Saas Fee met me mee en probeert me moed in te spreken en me wat af te leiden. Dat hij net de Leadville100 gelopen heeft en dat de dageraad altijd zorgt voor mooie plaatjes en een verse lading energie. Ik ben dankbaar voor de afleiding en zeg hem een stuk opgewekter vaarwel als ik eindelijk de verzorgingspost binnen loop. De meeste vrijwilligers liggen uitgeteld te slapen op wat houten banken maar een vriendelijke dame en Cis ontfermen zich over mij. Er resten nog twintig kilometers en een 1250 hoogtemeters maar ik heb het gevoel dat ik die onverhoopte derde plaats wel eens zou kunnen vasthouden tot de finish. Ik heb geen idee hoe groot mijn voorsprong is op de naaste achtervolger maar neem toch even de tijd om nog wat soep binnen te werken en een babbeltje te slaan. Even later loop ik terug op m’n eentje het dorp uit, klaar voor the final push!

Wat vooraf ging

Een uur of 18 vroeger trok een uitgelaten en zeer internationale bende zich in de schaduw van de Matterhorn op gang in het Italiaanse Brueil-Cervinia. De UTMR is het geesteskind van de Amerikaanse Lizzy Hawker, ietwat van een legende in het wereldje. Met liefde heeft ze een parcours uitgetekend dat 116km en zes stevige bulten later eindigt in het Zwitserse Grächen. Ik ken de streek niet goed dus ik weet niet goed wat er me te wachten staat maar wat wel duidelijk blijkt uit de statistieken is dat dit een behoorlijk alpien geval zal zijn: 8000 positieve hoogtemeters, een gemiddelde hoogte van 2200 m en uitschieters richting de 3000 m.

Na enkele honderden meter gaat het direct omhoog voor de eerste grote klim. De strategie is om deze klim tegen een zeer stevig tempo te pakken zonder mezelf op te blazen (klinkt als een strak plan!). Vanaf de eerste meters omhoog voel ik dat de motor verbaasd reageert op het gebrek aan zuurstof in de lucht. We zijn immers pas daags tevoren aangekomen en van acclimatisatie was geen sprake … Na een kwartiertje of zo lijkt het ongemak echter verteerd en stoom ik rustig omhoog die kale berg op en langs de andere kant weer af door malse almen. De eerste bevoorrading na 17 kilometer zet direct de toon: vriendelijke goedlachse mensen – voor het grootste deel zélf berglopers – bieden een scala aan lekkernijen aan. Naast de klassiekers (cola, chips, energierepen, …) staan er ook lokale lekkernijen uitgestald. Ik grijp een saucijsje mee en vertrek richting de volgende bult. Het landschap is prachtig en afgelegen en de benen bollen goed. Het leven is mooi!

Na een bult volgt een dal, en daar begint de temperatuur intussen stevig op te lopen. Ik ben nooit een fan geweest van al te grote hitte maar sinds de UTMB van vorig jaar weet ik hoe me er deftig tegen te wapenen. Toch neem ik een beetje gas terug want het middelste gedeelte van het wedstrijdprofiel ziet er indrukwekkend uit. Behoorlijk opgewekt loop ik in 6e positie Gressoney binnen. Cis is ook van de partij en ik ga efficiënt door de bevoorrading. In de UTMB vorig jaar vertoefde ik een uur of drie in de diverse bevoorradingen en het advies van Hal Koerner volgend probeer ik dit nu in te perken (Hal Koerner’s Field Guide to Ultrarunning). De derde bult is een stevige: dik 1000 m omhoog. Na een paar kilometer word ik bijgehaald door een local. De man woont in Alagna dat zich aan de andere kant van deze hindernis bevindt. Het is te merken dat hij zijn stal ruikt want hij gaat deze bult enthousiast te lijf. Ik haak mijn wagonnetje aan en samen gaan we vrolijk snaterend de hoogte in. Hogerop laat ik hem wijselijk gaan. De longen van deze man zijn duidelijk beter gewend aan de ijle lucht en bovendien merk ik dat hij steeds grotere stukken van het parcours afsnijdt. Tenzij hij ergens een tunnel tevoorschijn tovert blijven de hoogtemeters hetzelfde dus wat dat betreft is er weinig voor- of nadeel te halen maar ik voel me toch properder bij het zo goed mogelijk volgen van het zwarte kribbellijntje op m’n Suunto. Boven op de col is het plots mistig en een pak kouder. Dat blijkt ook zo te zijn in het volgende dal. My kind of weather!

Nu volgen twee imposante bulten om daarna eindelijk de Zwitserse grens te bereiken: een 1850 m D-, 1600 m D+, omhoog, 1500 m D- en dan nog eens dik 1500 m D+. Deze streek verrast me door zijn schoonheid en wat lager richting de vallei kom ik door een paar bergdorpjes waar de tijd precies vijftig jaar stil heeft gestaan. De namiddag is intussen goed gevorderd en ik loop met een warm gevoel deze bult af. De afdaling van een kleine 2000 m aan een stuk begint echter ook te zorgen voor een warm gevoel in m’n benen … Bovendien hebben goed beloopbare paadjes al lang plaats geruimd voor stukken van het minder voet- en enkelvriendelijke soort. Ik ben dan ook behoorlijk opgelucht als een lang en technisch stuk vol boomwortels achter de rug is en ik eindelijk na 47 km in Alagna aankom. Geen Cis deze keer. Hoe gek het ook klinkt was het zeer twijfelachtig of hij met de wagen sneller in Alagna zou kunnen zijn dan ik al lopend. We hadden dus besloten om pas af te spreken in Macugnaga op 71 km. De sfeer op het checkpoint in Alagna is wederom fenomenaal. Een uitgebreid banket en een horde vrijwilligers die zich allen inspannen om mijn 8 minuten op deze verzorgingspost zo comfortabel mogelijk te maken. Ik probeer m’n passage weer zo efficiënt mogelijk te maken. Een aantal toeristen kijken enigszins verbaasd naar die hyperkineet die tegelijk zoveel mogelijk eten en drinken in zijn lijf en rugzak propt, een opgewekte conversatie voert over het parcours en zich alvast vestimentair klaarmaakt voor de nacht die er binnen enkele uren aankomt. Geen spoor trouwens van mijn rechtdoor-stampende lokale vriend – misschien heeft hij effectief een tunnel gevonden ofwel is hij thuis binnen gelopen en zijn zetel niet meer uitgeraakt want ik heb hem voor de rest van de wedstrijd noch aan de finish teruggezien …

De volgende 25 km

De volgende 25 kilometer zijn echt afgelegen en afgezien van een herdershond die plots woest blaffend voor mijn voeten het pad op springt en zijn baasje dat gelukkig iets hoger op de bergflank van de laatste avondzon geniet kom ik niet veel levende zielen tegen. De klim duurt lang maar loopt over redelijk goede paden. Boven op de col gaat de hoofdlamp op en gaat het traag dalwaarts. De afdaling is immers behoorlijk technisch. Het eerste deel veel rotsen en nadien zeer glibberig en vol wortels en bemoste stenen. Ik besluit geen risico’s te nemen en doe het traag aan. Een goede beslissing zo blijkt achteraf want verschillende lopers gaan hier onderuit en moeten de strijd staken. Met het invallen van de nacht begint mijn maag stil te vallen en elke hap die ik door mijn keel probeer te krijgen is een strijd. Tien maal kauwen, een geut water erbij en doorslikken die brij! Ik kijk al uit naar de volgende grote bevoorradingspost en na een goed beloopbaar stuk vals plat bergaf kom ik half vliegend aan in Macugnaga. Het dorpsplein is goed gevuld.

Je kan de UTMR ook lopen als etappe-wedstrijd en aangezien hier morgenvroeg de laatste van drie etappes start, staat er veel volk. Ik krijg te horen dat er een aantal mensen uitgestapt zijn (geveld door een te snelle start, een val en/of een weke maag) en dat ik dus derde lig met een ruime voorsprong. Dit geeft goede moed en ik begin alvast te dromen van een podiumplek. Snel werk ik een soepje binnen – vast voedsel is een utopie op dit moment – en Cis bekommert zich om het bijvullen van mijn rugzak. Blijkbaar klopte de race-informatie niet want vijf minuten later komt er een groepje lopers toe op de post. Ze zien er een stuk fitter uit dan ik me ondanks de goede moraal voel maar het deert me niet echt: het is nog ver en uiteindelijk liegt het klassement van een ultratrail nooit. Het spoort me wel aan tot extra spoed en ik scharrel m’n gerief bij elkaar en onder luid gejoel van het publiek trek ik terug de nacht in, richting de volgende bult. Que sera sera!

Na een paar kilometer kom ik de Zwitserse loper tegen die ik ken van op hotel in startplaats Cervinia. Hij daalt terug af richting Macugnaga. Ik neem even de tijd om een babbeltje te slaan maar zijn discours is onsamenhangend. Ik maak er uit op dat hij op de tweede positie hing maar dat hij er nu de brui aan geeft. Met enkele troostende woorden neem ik afscheid en ga ik verder. Ik probeer me niet te vergalopperen: ik hang tweede maar de nacht is nog lang en de bergen hoog … Bovendien weet ik dat er enkele fitte kerels aankomen en terwijl ik achterom kijk zie ik inderdaad enkele lichtjes tegen hoog tempo de berg opdansen.

De korte ontmoeting met de onfortuinlijke Zwitser gaf me een boost maar de Monte Moro snijdt m’n benen af en zoals gevreesd snelt een man of vijf me voorbij in de klim. Niet goed voor de moraal maar ik neem me voor voorlopig geen aandacht meer te schenken aan posities of tijden. Hangend in mijn stokken hijs ik me hoger en hoger deze bult op. Net onder de Monte Moro pas neem ik even de tijd om een soepje binnen te werken op de bevoorradingspost. Het is er koud maar men vertelt me dat ik in derde positie lig. De meeste van de mensen die me in het donker voorbij raasden blijken de aflossing te zijn voor de vrijwilligers op de post. Gek genoeg doet het me weinig en ik vertrek rillend van de kou voor het laatste stukje van de klim tot de grenspas. Wat overdag prettig klauterwerk is vergt op dit moment en in deze toestand de uiterste concentratie. Het grote, verlichte Madonna-beeld waakt over de grens tussen Italië en Zwitserland en levert een surrealistisch beeld op. Ik heb het te koud en voel me te duizelig om er veel aandacht aan te schenken. Zo snel mogelijk afdalen is de boodschap! Het eerste deel van de afdaling is nog opletten geblazen doordat de resterende sneeuwvelden verijsd in de nacht liggen.

Ik besluit langsam aber sicher af te dalen en geen onnodige risico’s te nemen. Ik hoop dat de afdaling en de warmere en minder ijle lucht onderaan in het dal me terug oplappen. Dat blijkt slechts deels het geval te zijn: terwijl ik afdaal gaat de moraal wel wat omhoog maar de maag blijft week en de benen slapjes. Ik verleg de focus naar de eerstvolgende bevoorrading een kilometer of tien verderop in Saas Fee en laat de diesel rustig bollen: it’s the slow grinding pace that’s gonna get you there zoals een oude Schot me ooit zei in de Corsicaanse bergen – maar dat is een ander verhaal.

Finish

Na Saas Fee blijft het parcours op aanvaardbare hoogte, d.w.z. onder 2400 m. Het is echter een lange aaneenschakeling van kortere klimmen en afdalingen en enkele vlakkere stukken. Hoewel ik al een uur of zes loop op een twee kommen soep, één reep en een paar slokken water lijk ik te vliegen. De wetenschap dat dageraad en finish naderen – en mogelijks ook enkele achtervolgers – jaagt me verder. Voortdurend bestudeer ik al lopend het geplastificeerde hoogteprofieltje dat in m’n borstzak zit. Ik probeer uit te vissen waar ik me exact bevind op het profiel en raak er hoe langer hoe meer van overtuigd dat de laatste 20 kilometer naar de finish er eerder 25 zullen zijn. Inwendig stoot ik een HTFU-kreet uit en hobbel verder langs de bergflank. Het wordt licht en ik voel me terug sterk worden. Ik overleef een tricky klauterstuk zonder kleerscheuren en plots sta ik oog in oog met een reusachtige steenbok. In de tijd dat ik met m’n ogen knipper om me er van te vergewissen of deze ontmoeting echt is of een hallucinatie is het beest verdwenen. Ik moet er om lachen … Het leven is terug mooi!

Om elke hoek verwacht ik het voorlaatste checkpoint te zien maar telkens blijkt het toch nog een stukje verder te zijn. Wanneer het toch plots opduikt check ik voor de zoveelste keer zintuiglijk de systemen. Voeten? Check, geen blaren. Benen? Check, verzuurd maar intact. Maag? Week en leeg … negeren. Hoofd? Euforie troef. De laatste kilometers lopen bergaf over een brede jeep-weg en ik dender tegen 15 per uur naar beneden richting Grächen. Het is bijna acht uur ‘s ochtends en het dorp slaapt nog. Dit is de perfecte finish van deze wedstrijd op mensenmaat in een buitenmenselijk mooie omgeving. Lizzy en een handvol vrijwilligers wachten me op. Geen toeters en bellen maar felicitaties en een welgemeende omhelzing. Ook Cis is present. Hij heeft nauwelijks geslapen en legde meer dan 500 kilometer af door de bergen bij dag en bij nacht om me drie keer 5 à 10 minuten steun te bieden. Ik bedank hem van uit de grond van mijn hart. Bij dit soort ondernemingen zijn die enkele minuten in de aanwezigheid van een luisterend en bekend oor essentieel om het lijf er blijvend toe te bewegen al die ongein te tolereren.

Door een mengeling van euforie en vermoeidheid schiet ik terug in hyperkinetische modus waarbij ik de race terug beleef en ik in geuren en kleuren aan die enkele omstaanders mijn verhaal doe. Er volgt nog een interview voor een lokaal televisiestation – Joost mag weten wat een mens na een dag en een nacht lopen, 123 kilometer, 7500 m D+ en 8000 m D- allemaal uitkraamt in het Engels – en dan volgt een van de beste momenten in het ultralopen: eindelijk die schoenen uit!

Epiloog

In een overmoedige bui had ik me in juni dit jaar kandidaat gesteld om deel te nemen aan het WK ultratrail in Portugal eind oktober 2016. In allerijl regelde ik me nog een lidmaatschap bij de plaatselijke atletiekclub (bedankt GAC !) en stuurde ik mijn trail-CV in van de afgelopen jaren in. Deze overmoed was ingegeven door het feit dat ik in de selectiewedstrijd voor het WK 2015 een half uur voor de laatste geselecteerde had moeten eindigen, ware het niet dat ik drie kwartier rondgedoold heb in de bossen rond Bouillon op zoek naar het parcours (een verrijkende ervaring die me doen besluiten heeft een GPS-horloge aan te schaffen).

Er zijn zonder twijfel sterkere trailers dan ikzelf in ons landje maar aangezien België vorig jaar 5 mannen uitstuurde achtte ik het niet uitgesloten een plaatsje te kunnen veroveren. De zomer was behoorlijk succesvol met een vierde plek in de Ardennes Megatrail in de Franse Ardennen en een vijfde plek in de Mountainman die ik twee weken voor de UTMR in de Zwitserse Alpen liep als voorbereiding. Als klap op de vuurpijl was er dan de derde plek in de UTMR. Blijkbaar was dit voldoende om de mensen van de bond over de streep te trekken en zodoende sta ik 29 oktober enigszins tot mijn eigen verbazing maar nog meer tot mijn vreugde als een van de twee (?!) Belgen aan de start van het WK ultratrail in het Portugese Peneda-Gerês. Gezien het niveau van de starterslijst kunnen de ambities niet anders dan nederig zijn maar ik heb er niets te verliezen. Het was hard om quasi onmiddellijk na de UTMR de trainingsarbeid terug fors op te schroeven maar ik hoop dat het harde werk van de voorbije weken er enigszins uit komt in Portugal. Om 5u00 weerklinkt het startschot en dan zullen we zien waar het schip strandt.

O ja, alle Belgische en Nederlandse atleten zijn op de voet te volgen via deze link en de Facebook pagina. 

PS: Zij die zin gekregen hebben in deze race: volgend jaar wordt de ultra waarschijnlijk uitgebreid tot de volledige tour van de Monte Rosa. Dit geeft een 100-mijler die qua techniciteit/pracht/zwaarte/convivialiteit/… zijn plaats meer dan verdient op de kalender, een aanrader!

Splash this around