Pancake

by | Mar 3, 2017 | Nieuws

Als het heeft gestormd is het strand op zijn mooist. De voorbije dagen was het weer onstuimig en was hardlopen er zelfkastijding. Het zand striemde genadeloos in mijn gezicht en terroriseerde mijn ogen. De regen maakte mijn kleding doorwaternat. Daardoor koelde mijn lichaam snel af en ontstonden er schaafplekken daar waar de kleding over mijn huid schuurde. Vaak is dit even leuk, maar verlang je snel naar beter weer.

Nu is de zee weer rustig en is het vrijwel windstil. Het is nog vroeg. Ik heb het strand voor mij alleen. Het is laag water en er staan nog geen voetsporen in het zand. Je kan precies zien tot waar de zee is geweest. Er is veel zand weggeslagen waardoor er zo’n anderhalve meter hoogteverschil is ontstaan tussen het mulle zand tegen de duinen en het overige harde zand. Ik maak er dankbaar gebruik van en klim en klauter diverse keren tegen de muur van zand op. Ik prik mijn vingers in het zand voor extra grip en hoop daardoor niet achterover te vallen. Ik probeer snelheid te houden als ik boven ben. Ik adem steeds sneller en voel mijn spieren spannen in mijn hele lichaam. “Kom op jongen, je kan het!” bijt ik mezelf toe. Ik tuur over het uitgestrekte zand waar de zee diepe stroomgeulen heeft achtergelaten. Als een jong veulen spring ik naar het lagere harde zand en sprint erheen. Ik spring over de geulen heen en hoop er droge voeten te houden. Dat lukt me nooit, maar kou voel ik niet. Het water loopt gelijk uit mijn schoenen en krijgt de kans niet eens om mijn voeten af te koelen. Behendig spring ik tussen de paalhoofden door. Ook daar heb ik een sport van gemaakt. Vroeger botste ik geregeld met mijn knieën tegen de bepokte palen en had ik lelijke wonden op mijn knieschijven. Tegenwoordig gebeurt dit nooit meer en pas ik allerlei technieken toe om de paalhoofden te passeren. Ik loop verder richting de vloedlijn. Het strand is hier sterk geribbeld en mijn enkels krijgen het even stevig te verduren. Toch geniet ik hiervan.
Wanneer ik bij de vloedlijn kom, blijf ik even stilstaan. Ik haal diep adem en luister naar de zee. Het water kabbelt het strand op en tikt mijn schoenzolen even aan. Door het wolkendek proberen enkele lichtstralen heen te breken, maar dit wil nog niet zo lukken.

Ik zet mijn lichaam weer in gang en ren weer verder het strand op. Er ligt een grote plastic kist halverwege dit stuk strand. In mijn loop grijp ik de kist met een hand mee. ‘Gemeentelijke vismijn Vlissingen’ staat er op de zijkant gedrukt. Waarschijnlijk van boord geslagen van een vissersschip dat bijna thuis was. Ik neem de kist mee en ren er mee naar de eerste strandtent die ik zie. Ook hier is niemand aanwezig dus gooi ik de kist over de glazen wand op het terras.

Ik spring opnieuw tussen een paalhoofd door en een nieuw strand openbaart zich. Ik staar vrijwel gedachteloos over het verlaten strand. Ik zie een grote steen bij de branding liggen. Dit wordt mijn nieuwe doel en ik trek een sprintje diagonaal over het harde zand. Het is vreemd, want alleen tussen de paalhoofden vind je stenen en niet midden op het strand.  Ik kan me niet voorstellen dat de zee zo veel kracht heeft gehad dat het deze steen op het strand heeft kunnen werpen. Wanneer ik dichterbij kom begin ik te twijfelen of het een steen is. Het is te glad en te glimmend voor een steen. Het lijkt van plastic, maar wat is het dan?

Wanneer ik het vreemde voorwerp tot enkele meters genaderd ben, komt er beweging in het object. Het draait zich een beetje om en ik staar opeens in twee grote gitzwarte ogen. “Verrek, het is een zeehond!” Ik stop mijn sprintje en sluip de laatste meters als een kat naar hem toe. Niet wetend hoe een zeehond zal reageren op een naderend mens. Nog nooit eerder had ik een zeehond op het strand gezien en nu stond ik op een paar meter afstand van het machtige dier.

Zijn grote neusgaten gaan open en dicht. De  ogen blijven mij angstig volgen. Er komt bloed uit zijn bek en ook vanuit de oksels komt bloed. Het dier probeert terug de zee in te gaan, maar het staakt zijn pogingen al snel. Veel kracht lijkt hij niet meer te hebben. Ik realiseer me dat ik niets voor het dier kan doen en bel met de politie. Ik hurk op enige afstand bij de zeehond en vraag me af wat er met hem gebeurd is. Waarom is hij zo verzwakt en bloedt hij op meerdere plekken. Zelf denk ik aan een botsing met een schip, maar de zeehond geeft me geen antwoord als ik het hem vraag.
“Dat is er weer een met longworm!” zegt de man die uit de felgele pick-uptruck stapt. Ik schud hem de hand en vraag hem om uitleg. “Momenteel hebben veel zeehonden die aanspoelen last van longworm. Een parasiet in de longen die de dieren sterk verzwakt. Tijdens een storm worden met name de jongere dieren van de zandbanken geslagen en spoelen dan aan op de kust.” Ik kijk naar het logge dier en vraag me af hoe oud hij is. “Deze is het afgelopen voorjaar geboren en is al flink vermagerd. Ik denk dat hij nog 20 kilo weegt, terwijl 50 normaal is voor een dier van deze leeftijd.” vervolgt de man zijn les.

Intussen heeft hij de laadbak geopend en haalt er een rieten mand uit. Samen hijsen we het dier in de mand en vervolgens in de auto.
Ik staar de auto na wanneer deze wegrijdt. Ik blijf stilstaan aan de vloedlijn tot de auto over de duinovergang verdwenen is.

“Zet hem op jongen, je kan het!”

De zeehond wordt diezelfde dag nog overgebracht naar Pieterburen en krijgt daar de naam Pancake. Na een medicijnenkuur en vele kilo’s vis is Pancake na 6 weken weer vrijgelaten in de Zeeuwse delta.

Splash this around